Samenvatting van en kanttekeningen bij Franz Rosenzweig, Stern der Erlösung
dinsdag 2 april 2013
8 – De mens
Het gaat hier over een mens met macht over zijn filosofie. De filosofie verliest haar centrale positie ten gunste van de beoefenaar, de filosoof. Zijn zelfopoffering, in ruil waarvoor hij geest zou verkrijgen, voldoet niet meer. Die geest is slechts “een verstarde ademtocht van zijn levende ziel”. De filosoof beheerst nu de filosofie. De mens, gekenmerkt door voor- en achternaam, treedt als individu “uit de wereld die zichzelf als de denkbare zag, uit het ‘al’ van de filosofie.
Opmerkingen:
1 De Stern is gebaseerd op de trits God-wereld-mens. Deze korte paragraaf is van wezenlijk belang, omdat de derde uit de trits als eerste aan de orde komt. In § 9 verbindt Rosenzweig het begrip mens met het meta-ethische.
2 Zelfcorrecties maken een stijl levendig, Multatuli was er een meester in. Rosenzweig hanteert er hier twee in één zin: “een mens” i.p.v. de mens, “zijn filosofie” i.p.v. de filosofie. R. benadrukt zo het belang van denken,niet over een gegeneraliseerd begrip – mens, filosofie – maar vanuit een geïndividualiseerd begrip.
3 Die ene mens denkt, hij denkt “zijn” filosofie. Zo gaat hij toch weer “de” filosofie “bemächtigen”, beheersen. Alex van Ligten had: “war der Philosohie mächtig geworden” beter kunnen vertalen met “was de filosofie gaan beheersen” dan met “beheerste de filosofie. Het is namelijk geen toestand, maar een gebeuren, een proces, als gevolg van die individualisering.
4 M.i. draagt deze paragraaf sterk het stempel van Rosenzweigs terugkeer, tesjoeva, tot het jodendom. In deze godsdienst staat de praktiserende jood immers elke dag als zelfverantwoordelijk mens in gebed voor zijn God en werpt hij zich jaarlijks als zelfverantwoordelijk mens languit in zijn doodskleed voor God om verzoening te bewerkstelligen. Juist die dag, Jom Kippoer, kathaliseerde Rosenzweigs tesjoeva. Zie p. 20: “… Auge im Auge mit dem lebendigen Gott…”
zondag 31 maart 2013
7 – Nietzsche
Bij de dichters ging het altijd al over het leven en de eigen ziel. Zo ging het bij de heiligen om het geleefde leven. Bij de filosofen was dit niet het geval, totdat Nietzsche dit doorbrak. Zijn onderwerpen doen er niet meer toe, maar zijn wijze van filosoferen wel. Hij liet de ziel niet als een baker over de geest heersen, maar zijn geest onttrok zich aan de beperking van de ziel en reikte tot ongekende hoogten, waarbij de ziel wel moest volgen. De geest zocht de koele hoogten op, onttrok zich aan de dampen van het laagland. Nietzsche realiseerde in leven en denken de eenheid van ziel en geest, mens en denker, tot het einde toe.
Opmerking:
De vraag is hierbij wat Rosenzweig onder ‘ziel’ verstaat. Ik heb zo langzamerhand dit begrip leren kennen als de kern van mijn zijn, de diepste en hoogste levenswaarde. Als je die verloochent of ontkent, verliest je leven alle zin. Maar dat kan bij Rosenzweig niet het geval zijn, gezien het feit dat volgens hem de ziel de geest in een bedompte levenssfeer wil opsluiten. Het begrip ‘ziel’ krijgt zo zelfs een enigszins negatieve connotatie. Deze vraag blijft voor mij vooralsnog onbeantwoord liggen.
Gerard Visser publiceerde in 2010 (derde druk) Niets cadeau. Een filosofisch essay over de ziel. Ik ga daar nog maar eens in kijken.
6 – Schopenhauer
Eerste verdienste: Schopenhauer vraagt niet naar het wezen, maar naar de waarde van de wereld. Niet naar de absolute, maar naar de relatieve waarde, namelijk de waarde voor de mens. Een bijkomend nadeel is dat Schopenhauer dit toch weer in een systeem onderbrengt. Het begint bij Schopenhauer met de voorsystematische mens, het eindigt met de heilige, die door het systeem is voortgebracht..
Tweede verdienste: niet een begrip, maar een mensentype sluit het systeem af. De mens aan het begin wil niet in samenhang met de filosofiegeschiedenis over haar nadenken, maar wil over het leven nadenken. De wereld wordt tot inhoud van de filosofie. De individueel denkende mens neemt de plaats in van het probleem, het leven is probleem geworden. Het ‘al’ wordt verdrongen. De tragedie van het leven van Nietzsche maakt dit zichtbaar.
Opmerkingen:
1 Zowel bij Kierkegaard als bij Schopenhauer waardeert Rosenzweig het dat de mens centraal wordt gesteld. Zie § 4 – Kierkegaard.
2 Uit deze paragraaf blijkt dat het feit dat het leven “een twijfelachtige zaak” is, het leven tot een probleem maakt.
3 Der Einige und sein Eigentum is een boek van Max Stirner uit 1845 (AvL).
4 Inken Rühle schrijft in Gott spricht die Sprache der Menschen, p. 140, het volgende:
“Um das geforderte Gleichgewicht zwischen Offenbarung und Schöpfung wieder herzustellen, bedarf es nach Meinung Rosenzweigs eines neuen Verhältnisses zwischen der Theologie und der Philosophie mit ihrem Wissen von der Welt. Gemeint ist dabei allerdings nicht die alte, das All denkende Philosophie, sondern Philosophie als Weltanschauung, als Ausdruck der individuellen, menschlichen Reaktion auf die umgebende Welt. Schopenhauer und Nietzsche sind für Rosenzweig die beiden ersten Vertreter dieses neuen Philosophentyps. Denn gerade Schopenhauer fragte nicht mehr nach dem Wesen, sondern nach dem Wert der Welt für den Menschen, und zwar für den bestimmten Menschen Schopenhauer. Die Einheit des philosophischen Systems bildete nicht mehr ein Begriff oder Problem, sondern das Subjekt des Philosophierens selber.”
5 – Nieuwe filosofie
De filosofie werd van ontoereikendheid beticht. In de afsluitende vorm, die zij bij Hegel aannam, is dit onmogelijk. De kritiek valt buiten het gebied van het idealisme. Schopenhauer en Nietzsche hebben anderssoortige kritiek geleverd met een uitwerking, die in R.’s tijd nog haar impact heeft.
Opmerkingen:
1 R. zet hier de kritiek op het idealisme, waarmee hij in § 1 aanving, voort en schakelt hulptroepen in: Schopenhauer en Nietzsche, terwijl hij ook in Kierkegaard al een medestrijder vond, zij het dat hij van diens kritiek (zie § 4) zegt dat de ene bewering tegenover de andere bewering staat.
2 Met zijn dissertatie Hegel und der Staat (1912) reflecteerde R. nog op Hegel. Nu, vijf jaar later, valt hij hem aan.
vrijdag 13 januari 2012
4 – Kierkegaard
Kierkegaard verstoort deze vrede (zie § 3), die toch weer slechts schijn blijkt, “de oplossing van de geloofsvraag zo goed als de voltooiing van het weten”. Tegenover het abstracte ‘al’ plaatst hij de concrete persoon, een ik, “bij voor- en achternaam gekend” met “bewustzijn van de eigen zonde en de eigen verlossing, dat een oplossen in de kosmos niet nodig had en daar ook niet toegankelijk voor was.”
Opmerkingen:
1 Tegenover het abstracte plaatst Rosenzweig door Kierkegaard te beschrijven het concrete, tegenover het algemene het eigene.
2 In § 1 gebruikt Rosenzweig de concrete dood met de daarmee samenhangende doodsangst als koevoet om het hechte stelsel van het idealisme te ontwrichten. Nu ontwricht Kierkegaard het evenzeer hechte systeem, de samensmelting van idealisme en geloofswaarheid, met het concrete individu, dat als eigene een voor- en achternaam heeft, dat zondebesef en hunkering naar verlossing kent.
3 Kierkegaard vormde de aanleiding tot het gesprek tussen Eugen Rosenstock en R. eind juli 1913, het Leipziger Nachtgespräch (IR p.13).
Opmerkingen:
1 Tegenover het abstracte plaatst Rosenzweig door Kierkegaard te beschrijven het concrete, tegenover het algemene het eigene.
2 In § 1 gebruikt Rosenzweig de concrete dood met de daarmee samenhangende doodsangst als koevoet om het hechte stelsel van het idealisme te ontwrichten. Nu ontwricht Kierkegaard het evenzeer hechte systeem, de samensmelting van idealisme en geloofswaarheid, met het concrete individu, dat als eigene een voor- en achternaam heeft, dat zondebesef en hunkering naar verlossing kent.
3 Kierkegaard vormde de aanleiding tot het gesprek tussen Eugen Rosenstock en R. eind juli 1913, het Leipziger Nachtgespräch (IR p.13).
dinsdag 3 januari 2012
1 – Over de dood
De mens vreest de dood. De filosofie, lees: het idealisme, ontkent dit en prijst de dood aan om het generzijds. De mens evenwel is hier niet in het minst nieuwsgierig naar en hecht aan het aardse leven. Zelfmoord is een daad uit vrije wil en zou door de filosofie aanbevolen moeten worden, wil zij consequent zijn. Één nacht in zijn leven staat de mens voor deze afgrond, voor het niets. Hij blijft evenwel, angstig voor de dood, in het leven. In het al, dat niet sterven kan, spint de filosofie de doodsangst in. Maar de doodsangst van de mens blijft daar recht tegenover staan.
Opmerkingen:
1 “Één nacht….” Dit is een verwijzing naar de nacht van 13 juli 1913, bekend als das Leipziger Nachtgespräch. Inken Rühle (voortaan: IR) schrijft daar uitvoerig over.
2 “….. der Tod verschlungen, wenn ach nicht in den ewigen Sieg…..” Zie 1 Kor. 15:54 vv., Jes. 25:8.
3 Rosenzweig (voortaan : R) heeft zelf de gedachte aan zelfmoord overwogen. Zie Opm. 1.
4 “….. er muss einmal die kostbare Phiole voll Andacht herunterholen…..” Dit refereert aan Goethes Faust, aldus Alex van Ligten (voortaan: AL) en IR (p. 14).
5 IR bepaalt de eerste aanleiding tot het schrijven van De Stern der Erlösung (voortaan: SE) in de wintermaanden van 1912/1913, die Rosenzweig in Leipzig doorbracht (p.12).
6 Niet de gebeurtenissen uit WO I, maar de zelfmoordoverwegingen in 1913 vormden volgens IR de aanleiding tot de beschouwingen over de dood in § 1 (zie p. 440, noot 28), “…..Rand des Lebens und in beängstigende Todesnähe….. (p.13), “….. Browning 6.35…..” (p.14).
7 Noch Alex van Ligten , noch Inken Rühle vermelden het, maar ik zie in de angel van de dood toch een toespeling op 1 Kor. 15,55: “Dood, waar is uw prikkel?”
3 – Hegel
Het ging in § 2 over de verhouding tussen weten en geloven. Vrede tussen beide leek mogelijk ofwel door een strikte systeemscheiding, ofwel doordat de filosofie meende de geheimen van de openbaring te kunnen blootleggen. De filosofie erkende in beide gevallen de waarheid van de openbaring, in het eerste als ontoegankelijk, in het tweede als door haar bevestigd. Het werd geen blijvende vrede, want (1) de filosofien wilde geen gebied als ontoegankelijk erkennen en (2) het geloof claimde een absolute en geen relatieve waarheid. Hegel poneerde echter een nauwe samenwerking. “De weetbare wereld wordt weetbaar door de gelijke denkwet, die op de top van het systeem als hoogste zijnswet terugkeert. Deze ene denk- en zijnswet is wereldhistorisch voor het eerst verkondigd in de openbaring, zodat de filosofie in zekee zin slechts vervult wat in de openbaring beloofd is.” De filosofie bevestigt systematisch de waarheid van de openbaring. Daarmee is de vrede getekend.
Opmerkingen:
1 Het gaat hier over de filosofie van Hegel, het idealisme. M.a.w. het gaat niet over “de” filosofie, maar over de filosofie uit deze periode.
2 Een geopenbaarde waarheid vergt geloof. Overigens laat R. in het midden om welke openbaring het gaat.
Abonneren op:
Posts (Atom)