donderdag 1 augustus 2013



26- Teken

Het antwoord op de vraag (zie § 25) wordt gesymboliseerd door de vergelijking A=A. Hoe die is ontstaan, is niet meer zichtbaar. Het teken staat voor een godheid, die “….. van niets buiten zichzelf afhankelijk (is) en (…..) niets buiten zichzelf (schijnt) nodig te hebben…..” “Het innerlijk spel van de krachten, dat deze levende godsgestalte gevormd heeft, is verzonken. Juist daarmee symboliseert de vergelijking het directe levend-zijn van deze gestalte, het levend-zijn van de godheid.”

Opmerkingen:
1                      Wat Rosenzweig in de vorige paragrafen verbaal beschreven heeft, legt hij nu neer in een logisch-wiskundig symbool. Feitelijk sluit hij hiermee het Eerste Boek af. Wat volgt, zijn vergelijkingen met andere godsdiensten en een esthetische beschouwing. Verbaal voegt Rosenzweig nog iets toe. Hij legt de situatie in Gen. 1,2 vast in de twee voorlaatste zinnen en in de laatste zin bereidt hij de actie in Gen. 1,3 voor. Dit alles in schitterend proza.
2                      Het citaat in deze paragraaf is volgens Alex van Ligten van Schiller.

vrijdag 26 juli 2013



 25 – Oerwoorden

Rosenzweig onderbreekt zijn betoog om aan de oerwoorden ‘ja’ en ‘nee’ het oerwoord ‘en’ toe te voegen. Hij gaat eerst in op de functie van ‘ja’ en ‘nee’. Het eerste garandeert min of meer een vaste woordbetekenis. Als voorbeeld noemt hij het predicaat “vrij” in enkele zinsverbanden. Met ‘nee’ is dit niet het geval: “mens” kan verschillende betekenissen hebben als subject in de zin. Woorden, aldus Rosenzweig, hebben geen bestendige betekenis, maar ontlenen die aan de samenhang van de zin. Nu komt het vernuftige van deze paragraaf aan de orde. Rosenzweig spiegelt het gebeuren uit § 24 aan dat uit § 25. Het ‘nee’ probeert macht te krijgen over ‘ja’. Hierdoor ontstaat een nieuwe mogelijkheid: de zinsvorming, samenvoeging van woorden, vervoeging van woorden. “Het ‘en’ is niet de geheime begeleider van het afzonderlijke woord, maar van de woordsamenhang. Het is de sluitsteen van het keldergewelf waarboven het gebouw van de logos, van het taalvermogen, is opgetrokken. Wij hebben in het hiervoor gevonden antwoord op de vraag naar God, die we opwierpen bij de constatering dat we niets over hem wisten, een eerste krachtproef van dit derde oerwoord leren kennen.” Aldus de slotzinnen van deze paragraaf.

Opmerkingen:
1                    Wat Rosenzweig in § 24 theologisch doet, herhaalt hij in § 25 taalkundig. Niet voor niets is Das Neue Denken een taalfilosofie. Zonder kunstgreep komt Rosenzweig in de laatste zin uit bij de vraag naar God, van wie we niets weten, met als tussenschakel de logos, het taalvermogen.
2                    Alex van Ligten is in een verraderlijke val getrapt. Rosenzweig gebruikt het woord “biegen” en hij vertaalt dit met verbuigen. Maar Rosenzweig heeft het over “stam” en die kennen wij alleen in een werkwoord. Een werkwoord wordt evenwel niet verbogen, maar vervoegd. Dus had “biegen” hier met “vervoegen” moeten worden vertaald. Dit alles tenzij Rosenzweig met “stam” toch de grondvorm van een nomen of een adjectief bedoelt.

maandag 22 juli 2013



24 – Het levend-zijn van de godheid

In § 23 is de goddelijke vrijheid in het symbool “A=” gevat. In § 22 is Gods wezen als het oneindige ‘ja’ benoemd, dat een ‘niets’ achter zich liet, waaruit het vrije ‘nee’ zich ontworstelt en tot goddelijke vrijheid wordt, die als eindige gestalte van de daad het goddelijk wezen tegemoet treedt. De eindige vrijheid neigt naar oneindige macht, oneindige willekeur. Het goddelijk wezen is vooralsnog geheel inert. De vrijheid, de willekeur, nadert dit wezen en voelt onder de invloed ervan haar kracht verlammen. Op dit punt, waar de macht gedoofd lijkt te worden door het trage “Het is” van het inerte, goddelijk wezen, is er als nieuw feit sprake van een goddelijk moeten, een lotsbestemming, waarmee de totale inertie verdwenen is. Prachtig beschrijft Rosenzweig hoe er een oneindige beweging van de vrijheid naar het wezen overvloeit, die het in zichzelf gekeerde goddelijk wezen een aangezicht verschaft. Nu kan het goddelijk wezen naar buiten optreden, een schok op de Olympus veroorzaken, de godheid is levend geworden oneindige macht en oneindige gebondenheid.

Opmerkingen:
1             Met vaste hand stuurt Rosenzweig aan naar de overgang tussen Gen. 1,2 en 1,3, de overgang van Gods geest die in zichzelf besloten boven de wateren zweeft naar de scheppende en sprekende God, zoals die pas in het Eerste Boek van het Tweede Deel beschreven wordt. Met die kennis kunnen we deze paragraaf begrijpen.
2             De Nornen zijn, aldus Alex van Ligten, de Germaanse schikgodinnen, Moira is de Griekse schikgodin.

woensdag 12 juni 2013



23 – Teken

We zijn logisch-wiskundig bezig, dus Rosenzweig gaat de goddelijke vrijheid van een symbool voorzien. Hij doet dit op grond van al in § 22 genoemde kenmerken.

                Kenmerk                           Conclusie
- oorspronkelijk nee                    - op de linkerkant van de                                                              toekomstige vergelijking
- grijpt als oorspronkelijk             - naar het schema “y=”
  subject met onbeperkte
  macht boven zich uit
  (zij het slechts binnen God)
- is in haar altijd hernieuwde                - “A=”
  eenmaligheid eindig, maar
  in haar blijvende nieuwheid
  oneindig; er kan niets aan
  voorafgaan, omdat er niets
  naast haar is. Ze is steeds
  iets eenmaligs, nooit iets
  afzonderlijks.

“Hoe dit symbool van de goddelijke vrijheid samenkomt met dat voor het Goddelijke wezen en daardoor pas de vergelijking en daarmee het eerste antwoord op de vraag naar God tot stand komt, wordt nu behandeld.”

Opmerkingen:

1             Rosenzweig legt zijn metafysica neer in wat hij zelf “logisch-wiskundige symbolen” noemt. Je behoeft niet over veel wiskundige kennis te beschikken om dit te kunnen volgen.
2             We beschikken nu over twee resultaten:
God                              A
goddelijke vrijheid          A=
Toelichting hierop geef ik niet. Dat zou overbodig zijn.
3             Rosenzweig erkent dat hij in “A=” het eerste antwoord op de vraag naar God heeft gegeven. “Von Gott wissen wir nichts” is dus geen absolute uitspraak meer. Maar toegegeven moet worden dat Rosenzweig het begrip ‘goddelijke vrijheid’ met een ijzeren logica heeft ontwikkeld.

woensdag 5 juni 2013



22 – Goddelijke vrijheid

Zullen stormen van buiten of kolken van binnen de gladde oppervlakte in beweging zetten? Rosenzweig recapituleert: ‘Ja’ neemt de rechterzijde van ‘y=x’ in. Uit ‘ja’ ontstond dit onbewogen wezen. Dan zouden het stormen van buiten moeten worden. Maar dit goddelijk wezen kan geen kracht van buiten als eerste beweger hebben. Dus wordt het ‘nee’. Dat heeft betrekking op het niets: wij weten niets van God. Dat wordt beaamd, dus ‘nee’ wordt vergezeld van een beaming. Het ‘ja’ wordt gekoppeld aan het ‘niet-niets’, het ‘nee’ in een negatieve verhouding tot het ‘niets’. Het ‘nee’ ontkent zichzelf, waarop “het andere”, de “tegenstander” te voorschijn treedt. Het ‘nee’ heeft zich van het ‘niets’ los gemaakt en neemt, vrij geworden, gestalte aan.
Het ‘ja’ in God is zijn oneindige wezen. Het ‘nee’ is de goddelijke vrijheid. Het ‘ja’ onttrok Gods oneindigheid aan het ‘niets’. Daarmee maakte het ‘nee’ zich uit het ‘niets’ los, het ontkent in alle eeuwigheid het eindig geworden ‘niets’. Tegenover het steeds ‘andere’ is het wat steeds nieuw, uniek, is. De goddelijke vrijheid, het ‘nee’, treedt het oneindige goddelijke wezen, het ‘ja’, tegemoet. “De zich altijd nieuw openbarende vrijheid van de daad treedt het wezen, dat eens voor altijd geschapen is, zoals het is, tegemoet, een vrijheid echter waarvoor wij nog geen ander thema mogen bedenken buiten de oneindigheid van dit altijddurende wezen. Het is geen vrijheid Gods, God is ook nu nog voor ons een probleem. Het is goddelijke vrijheid, vrijheid in God en met betrekking tot God. Wij weten ook nu nog niets van God. Wij zijn nog bij het stukwerk van het weten, nog bij het vragen, niet bij het antwoorden.”

Opmerkingen:
1             in de laatste zinnen maakt Rosenzweig duidelijk hoe voorzichtig hij is bij het spreken over God. Hij weet nog steeds niets, kan alleen maar vragen stellen. Toch vallen bepaalde formuleringen op, zoals “….. het wezen dat eens voor altijd geschapen is, zoals het is …..” en “….. de oneindigheid van dit altijddurende wezen…..” Het enige wat hij wel positief geformuleerd heeft, is het prachtige slot van § 21: “…..’A’, een onbewogen oneindig ‘zijn’.
2             Van dit Eerste Boek, Metafysica, zouden we naar het Eerste Boek van het Tweede Deel, Schepping, moeten gaan om te kunnen zien waar Rosenzweig heen wil. Dat doen we niet, we gaan voort met de doorgaande lezing, al lezen we wel eens een verderop gelegen pagina in dwarsverband. Als je dit zelf wilt doen, zou je § 99 eens moeten lezen, die van de Einleitung doorloopt naar het Eerste Deel.
3             Op p. 153 van Gott spricht die Sprache der Menschen gaat Inken Rühle in op de verhouding tussen God als schepper en God als degene die zich openbaart. We kunnen niet spreken over de scheppende God en de zich openbarende God, want dan zouden we weer in de dualiteit van Schelling belanden, waar Rosenzweig zich juist tegen verzet. Zie hiervoor § 21. er bestaat continuïteit tussen schepping en openbaring. “In der Schöpfung äussert sich Gott als ruhige wesenhafte Eigenschaft, Seine bisher verborgene Gestalt tritt heraus und beginnt aufzuleuchten; in der Offenbarung setzt sich diese Bewegung kontinuierlich fort. ….. Da geschieht nicht etwas ganz und gar Neues – und schon gar nicht erscheint Gott plötzlich Springteufelartig als Gott der Liebe -, sondern in ihn wird lediglich das Wesen Gottes, wie es seit Beginn der Schöpfung sich offenbart, auf ein Ereignis zwischen Gott und mensch konzentriert. ….. Durch das erste Ja der Schöpfung “im Anfang” (1 Mose 1) ist in alle Unendlichkeit das göttliche Wesen begründet. Das der Offenbarung zugeordnete Nein ist, wenn auch jünger, so doch gleichursprünglich wie dieses Ja.”