donderdag 13 februari 2014



47 – ASIEN: DIE UNPLASTISCHE WELT
“Want er blijft iets onopgelost in de metalogische wereldopvatting, evenals voorheen in het mythische godsbegrip.  En toch: “het zijn de Grieken”, hier evenals daar, die de gedachte tot de hoogste ontwikkeling hebben gebracht die in de isolering mogelijk was.” (Vert. Alex van Ligten)

donderdag 6 februari 2014



46 - Sofisten

“Tegen deze metalogische opvatting van het menselijk gemeenschapsleven, waarvan wij de begrenzing hier aantoonden in de tegenstelling tot de idealistische opvatting, heeft nu ook de Oudheid zelf al gerebelleerd.” (Vert. Alex van Ligten). Deze stroming ging uit van de “…afzonderlijke mens, die niet wil geloven dat hij slechts een deel van het geheel is.” Maar daar bleff het bij steken, wat moeten we met die vrijheid in alle dingen ordeningen van de samenleving? Zo wordt de mens tot de maat van alle dingen. Het sofisme heeft niet het staatsbewustzijn van de Oudheid ontworteld, maar was een storm in een glas water. Het droeg niet bij tot een oplossing van de problematiek van de metalogische mikrokosmos. De inactiviteit van het filosofische godsbegrip maakte dit mensbegrip onbekwaam voor deze oplossing.

woensdag 29 januari 2014



45 – Oikoumene

Het titelwoord betekent: de gehele bewoonde wereld. In de eerste zin betoogt Rosenzweig dat in de metalogische ethiek van oude wereld het geheel van delen nooit het ‘Al’ kon zijn, maar hooguit zelf een deel van het geheel. Dit geheel ligt dan natuurlijk op een hoger niveau dan het eerste. Een individu kan nooit verder kijken dan de gemeenschap waarin hij verkeert. Bij het ding ligt dit net zo: de soort waartoe het ding behoort, kan zelf ook weer een gemeenschap vormen. Van dat tweede niveau heeft het individu binnen het eerste niveau geen besef. De onderworpen staten in een wereldrijk werden gedepolitiseerd. Daardoor voelden zij zich ook nooit deel van dat rijk. Het kan zijn dat een individu zich voelt als voortgebracht door het geheel en zich lid voelt van een ‘al’. Dan voelt ook de gemeenschap zich lid van het ‘Al’. Het geheel rust in zichzelf en heeft geen neiging in hogere gehelen te worden opgenomen. Daardoor rust in een kleine gemeenschap meer bewustzijn van de wereld dan in het rijk van keizer Rijk van Augustus. Dat was een afgezonderd geheel, had zichzelf tot vrede gebracht en bevredigd. Neiging die vrede uit te dragen had het niet, ze identificeerde zich met de wereld: oikoemene.

donderdag 23 januari 2014



44 – De polis

Dat de metalogische opvatting tegenover de mikrokosmos makkelijker is te handhaven dan tegenover de makrokosmos, is slechts schijn. Het probleem van individu en soort werd in de Oudheid metalogisch opgelost. Volk en staat zijn bedreigende instanties voor het individu. De mens beseft dat hij deel van de gemeenschap is. De gemeenschap is zelf niet absoluut, maar legt wel een absoluut normengeheel aan het individu op. De gemeenschap is besloten, een eenheid die op zichzelf staat en voor het individu dé gemeenschap is. Die beslotenheid maakt haar tot een afzonderlijk wezen, waarvan de analyse die van een kunstwerk is. Die staat is in Hellas niet strikt georganiseerd. Die zou een absolutistische staat  inhouden met een organisatie als een volledige idealistische staatsvorming. Het individu is niet deel van het geheel, maar de staat is het ‘al’, “von dem ein einheitlicher Kraftstrom durch die Glieder geht”. Alle individuen hebben hun eigen plaats, soms zijn er tussenmachten tussen staat en individu. In Hellas had het individu een eigen plaats en kon als deel opgaan in de Gestalt van de staat, er staan geen bemiddelende instanties tussen individu en staat. Het individu verdwijnt door de gemeenschap op te bouwen. Van representatie is geen sprake, het individu is een deel van het gebouw. Van een offer van de mens aan de staat is eveneens geen sprake. Dat mensen voor elkaar instaan, dat zij garant kunnen staan voor elkaar, die gedachten passen niet in de Oudheid

donderdag 9 januari 2014



44 – De polis

Dat de metalogische opvatting tegenover de mikrokosmos makkelijker is te handhaven dan tegenover de makrokosmos, is slechts schijn. Het probleem van individu en soort werd in de Oudheid metalogisch opgelost. Volk en staat zijn bedreigende instanties voor het individu. De mens beseft dat hij deel van de gemeenschap is. De gemeenschap is zelf niet absoluut, maar legt wel een absoluut normengeheel aan het individu op. De gemeenschap is besloten, een eenheid die op zichzelf staat en voor het individu dé gemeenschap is. Die beslotenheid maakt haar tot een afzonderlijk wezen, waarvan de analyse die van een kunstwerk is. Die staat is in Hellas niet strikt georganiseerd. Die zou een absolutistische staat  inhouden met een organisatie als een volledige idealistische staatsvorming. Het individu is niet deel van het geheel, maar de staat is het ‘al’, “von dem ein einheitlicher Kraftstrom durch die Glieder geht”. Alle individuen hebben hun eigen plaats, soms zijn er tussenmachten tussen staat en individu. In Hellas had het individu een eigen plaats en kon als deel opgaan in de Gestalt van de staat, er staan geen bemiddelende instanties tussen individu en staat. Het individu verdwijnt door de gemeenschap op te bouwen. Van representatie is geen sprake, het individu is een deel van het gebouw. Van een offer van de mens aan de staat is eveneens geen sprake.

vrijdag 13 december 2013

43 – Plato en Aristoteles

Aristoteles plaats boven de concept- en dingtheorie een nieuw element. Er moet een niveau zijn waarop die twee op elkaar te betrekken zijn, iets als oneindigheid, iets meta-achtigs. Aristoteles zoekt “de oplossing van de tegenstrijdigheid tussen de oneindige al- en eenheidspretentie van het denken en de eindige, slechts en de eindige, slechts oneindig rijke totaliteit van de wereld” (vert. Alex van Ligten, p.62). Het dilemma van de tegenstelling tussen theologie en kosmologie blijft bestaan. Het goddelijke denken kan immers alleen zichzelf denken, waarbij de kosmos buiten beschouwing blijft.

woensdag 4 december 2013

42 – Kosmologie in de Oudheid

Het individu is belangrijker dan de soort (al kan het individu pas individu kan zijn in de soort, WK). De metalogische wereld is de geheel vervulde wereld. De “levende” God van de metafysische theologie is slechts een “levende” God. Zo is ook de metalogische wereld niet de geschapen, maar slechts de gevormde wereld. (Zie voor dit alles ook § 40.) Dit zijn allemaal begrippen uit de Oudheid. Daar kwam ook de grondgedachte van het idealisme, de identiteit van “zijn” en denken, al voor. Daar bleef die gedachte meta-fysisch, een kosmologische uitwerking bleef uit. De neo-platonische school ontwikkelde al de emanatiegedachte. Bij Plato en Aristoteles komen tegenstellingen, zoals idee en verschijnsel al voor, maar bij hen streeft het verschijnsel ernaar te worden als de idee. Hier is dus sprake van een doel, terwijl in de scheppingsgedachte er een wording als principe meespeelt.